De schrijfsters: Betje Wolff en Aagje Deken
Sara Burgerhart werd geschreven door twee vrouwen, Betje Wolff en Aagje Deken. Betje Wolff werd geboren op 24 juli 1738. Zij trouwde op haar 21ste met een dominee die 52 was. Aagje Deken werd geboren in 1741, was al jong wees, groeide daardoor op in een weeshuis en werkte als dienstmeisje. Aagje schreef Betje in 1776 een brief waarin zij haar bewondering liet blijken voor een boek dat Betje had geschreven. Daarna ontstond een briefwisseling, pas na een half jaar zagen zij elkaar in het echt. Na het overlijden van Betjes echtgenoot in 1777 ging Aagje bij Betje wonen. Samen schreven zij enkele boeken, waarvan De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart de bekendste is. Dit was een boek voor volwassenen, ze hebben geen kinderboeken geschreven.
Sara Burgerhart: een middagje bij rijke burgers
Het hele boek De Historie van Sara Burgerhart uit 1782 bestaat uit brieven die de verschillende personen aan elkaar schrijven (telefoon en email bestonden nog niet), daarom wordt het ook wel een briefroman genoemd. De hoofdpersoon, Sara Burgerhart, is op haar zeventiende wees geworden en bij haar voogdes en tante ingetrokken. Sara en haar tante kunnen het niet goed met elkaar vinden. Je leest over Sara’s gevecht om meer vrijheid en haar avonturen bij het zoeken naar een echtgenoot.

Anna, de vriendin van Sara, is op bezoek geweest bij de familie Uitval, die in een Rotterdams bovenhuis woont. De familie, schrijft ze aan Sara, bestaat uit brave Burgerlieden van den ouden tyd.
Toen ik boven kwam, verwelkomde my Juffrouw Uitval met veel buigingen, en veel excusen, dat zy my zo familiair ontfing, zei: ‘dat zy maar een ouwerwetze Vrouw, en klein behuist was;’ met alles wat over dien toon verder loopt. Onderwyl verdoofde het gekèf van twee kleine honden, het gekook van een zilveren theeketel, die, op een ordentelyk burgervuurtje, stondt te koken, en het geschreeuw van den Heer Uitval, die aan den trap tegen een koksjongen braaf stondt te kyven, zeer veel van deeze fraaije Complimenten; en ik kon bestaan met te groeten, en te glimlachen.
Als het gezelschap compleet is, drinkt men eerst thee uit mooie porseleinen kopjes, met zoetigheden erbij:
Toen raakten wy aan het theedrinken: nooit dronk ik fynder thee, en nooit dronk ik uit keurlyker porcelein. ‘t Speet my maar, dat de gulle Vrouw my zo veel suiker in het kopje deedt, zo dikwyls als man schreeuwde: ‘hebben de Vrienden wel suiker?’ en dan wist ik niet hoe gaauw ik myn kopje zou naar my nemen, om Thee en geen slemp te drinken. Naauwlyks was de Thee ter zyden, of de jonge juffrouw kwam met een groot vierkant zilver blad, opgevult met Confituren; dat blad werdt opgevolgt door een nog groter; tot eene aanmerkelyke hoogte met allerlei fyne gebakjes opgestapelt.
De heren in het gezelschap roken tabak, en ze praten over zaken en studie. De vrouwen praten over het huishouden in het personeel. Na een tijdje laat de gastheer andere drank aanrukken:
Eindelyk werdt men het eens om wat lucht te maken, en Uitval schreeuwde om wyn en kelkjes; de meid kwam boven met een doos Soezen, die naauwlyks den trap op wilde.
En dan is het tijd om aan tafel te gaan. De gastheer nodigt iedereen uit, en een overvloedig maal begint:
Maar, lieve Saartje, ik wenschte wel, dat gy zo een Tafel eens gezien hadt! In ’t midden stondt een smokent stuk Hamburger Ossenrib, van een dertig pond, denk ik. Daar by was een ham, een kalfskop, een varkensrib, en een gestoofde kabbeljauw. De groenten waren niet minder talryk of voedzaam. […] Alles was overvloed, alles toonde rykdom […]
Toch voelt Anna zich niet helemaal op haar gemak, want de drank heeft het gezelschap blijkbaar luidruchtig en ongemanierd gemaakt:
Laat men vry roemen op de oude Hollandsche gulheid; op zulke maaltyden is men overdadiger, en hoort men vuilder dubbelzinnigheden, dan by onze modieuse lieden.
Om een uur ’s nachts is het bezoek eindelijk voorbij. Als jongeheer Smit (een aankomend predikant met wie Anna later zal trouwen) er niet was geweest, had ze weinig plezier gehad.
Een recept voor gestoofde kabeljauw uit de 18de eeuw.
(Citaten uit Sara Burgerhart, de 43ste brief, 1ste druk pp.162/170)
Je kunt het hele boek Sara Burgerhart downloaden, als je benieuwd bent hoe het afloopt …
En wil je niet lezen, dan is het ook nog te downloaden als luisterboek.
De allereerste kinderboekenschrijver van Nederland was Hieronymus van Alphen (1746-1803). Hij was advocaat in Utrecht en vader van drie jonge zoontjes, toen hij zijn eerste gedichtjes voor kinderen schreef. De moeder van zijn kinderen was vlak na de geboorte van haar jongste zoon gestorven, waardoor Van Alphen zijn kinderen helemaal alleen moest verzorgen en opvoeden.

Uit: Hieronijmus van Alphen, Kleine Gedigten voor Kinderen, 1e druk 1778, Deltareeks, 1998